Een minstreel die door het bos rent, vindt een bot onder een boom en snijdt een fluit. Als hij fluit speelt, klinkt de stem van de vermoorde jongste broer, die het verhaal vertelt van zijn ongelukkige dood. De minstreel voelt dat hij dit verhaal niet onverteld kan laten en gaat op weg naar het kasteel om de ware aard van de verloofde van de koningin te onthullen.

Jaar 1880Lied 2: Der Spielmann (The Minstrel). Handgeschreven partituur (eerste versie), 31 pagina's, 58 geschreven pagina's. 33 x 26 cm, gesigneerd (MHc 4077) (mei 1880). Met doodles van Richard Ritter von Meyrswalden Kralik (1852-1934).

Lied 2: Der Spielmann (The Minstrel).

Lied 2: Der Spielmann (The Minstrel).

Lied 2: Der Spielmann (The Minstrel).

Aftekening door Gustav Mahler op 21-03-1880. Lied 2: Der Spielmann (The Minstrel).

Der Spielmann

Beim Weidenbaum, im kühlen Tann,
Da flattern die Dohlen und Raben,
Da liegt een blonder Rittersmann
Unter Blättern en Blüten begraben.
Dordt is zo lind und voll von Duft,
Als ging ein Weinen durch die Luft!
O Leide, weh! O Leide!

Ein Spielmann zog einst des Weges daher,
Da sah er ein Knöchlein blitzen;
Er hob es auf, als wär's ein Rohr,
Wollt 'sich eine Flöte draus schnitzen.
O Spielmann, lieber Spielmann mein,
Das wird ein seltsam Spielen sein!
O Leide, weh! O Leide!

Der Spielmann setzt die Flöte an
Und läßt sie laut erklingen:
O Wunder, was non da begonnen,
Welch seltsam traurig Singen!
Es klingt so traurig und doch so schön,
Wer's hört, der möcht 'vor Leid vergehn!
O Leide, Leide!

'Ach, Spielmann, lieber Spielmann mein!
Das muß ich dir nun klagen:
Um een ​​schönfarbig Blümelein
Hoed mich mein Bruder erschlagen!
Im Walde bleicht mein junger Leib,
Mein Bruder freit ein wonnig Weib! "
O Leide, Leide, weh!

Der Spielmann ziehet in die Weit ',
Läßt 'überall erklingen,
Ach weh, ach weh, ihr lieben Leut ',
Was soll denn euch mein Singen?
Hinauf muß ich zu des Königs Saal,
Hinauf zu des Königs holdem Gemahl!
O Leide, weh, o Leide!

De minstreel

Bij de wilg, tussen koele sparren,
Waar kauwen en raven fladderen,
Daar lag een blonde ridder
Begraven onder bladeren en bloemen.
Daar is het zo kalm en geurig,
Alsof er tranen door de lucht dwarrelen!
O verdriet, wee! O verdriet!

Op een dag kwam er een minstreel die kant op
En zag een klein bot blinken;
Hij tilde het op, alsof het een riet was,
En begon er een fluit van te maken.
O minstreel, mijn beste minstreel,
Wat een vreemde verhalen zal het vertellen!
O verdriet, wee! O verdriet!

De minstreel zette de fluit aan zijn lippen
En laat het weerklinken:
O wonder, wat nu begon,
Wat een merkwaardig en treurig lied!
Zijn lied was zo treurig en toch zo lieflijk,
Bij het horen ervan zou iemand kunnen sterven!
O verdriet, verdriet!

'Oh minstreel, mijn beste minstreel
Dit moet ik nu tegen je klagen:
Voor een mooi gekleurd bloemetje
Heeft mijn broer me dood geslagen?
In het hout waren mijn jonge botten gebleekt,
Terwijl mijn broer het hof maakte naar een lieve vrouw! "
O verdriet, verdriet, wee!

De minstreel reisde heinde en verre,
Overal speelt zijn lied.
"Ah ik, ah ik, mijn lieve vrienden,
Wat ga je van mijn lied vinden?
Up moet ik gaan, naar de zaal van de koning,
Op naar de mooie bruid van de koning!
O verdriet, wee! O verdriet! "

Lied 2: Der Spielmann (The Minstrel), botfluiten.

Als u fouten heeft gevonden, laat het ons dan weten door die tekst te selecteren en op te drukken Ctrl + Enter.

Spelfoutenrapport

De volgende tekst wordt naar onze redactie gestuurd: